De vitamine-D-status bij jonge zuigelingen is lager dan de gemeten waarde.
In het bloed van jonge zuigelingen worden hogere vitamine-D-waarden (25(OH)D) gevonden dan men zou verwachten.
Uit onderzoek blijkt dat in het bloed van jonge zuigelingen (vanaf dag 10 tot 3 maanden) naast 25(OH)D ook het C3-epimeer van vitamine D (3-epi-25(OH)D) in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig is. Dit is in deze periode gemiddeld 27% (tot maximaal 60%) van de vitamine-D-concentratie.
Bij onderzoek van de vitamine-D-status bij jonge zuigelingen kan daardoor de vitamine-D-status worden overschat. Het is daarom belangrijk dat bij jonge zuigelingen analysemethoden (zoals LC-MS/MS; liquid chromatography-tandem mass spectrometry) worden gebruikt die onderscheid maken tussen 25(OH)D en 3-epi-25(OH)D.
In hoeverre de C3-epimeer van vitamine D een fysiologische functie heeft, is vooralsnog niet bekend. Waarschijnlijk zijn de hoge concentraties 3-epi-25(OH)D toe te schrijven aan een nog onrijp vitamine-D-metabolisme bij de jonge zuigeling.
Het verschil tussen 25(OH)D en 3-epi-25(OH)D is de plaats van de hydroxylgroep. Bij 25(OH)D zit de hydroxylgroep op de β-positie en bij 3-epi-25(OH)D op de α-positie.
Bij preterm geboren zuigelingen worden nog hogere 3-epi-25(OH)D-waarden gevonden.
Zie verder:
| Bronnen |
|