Spreekwoorden met brood

1 december 2016

Hoeveel spreekwoorden en gezegden met brood in de hoofdrol kent u?
VoedingOnline zette voor u de spreekwoorden en gezegden met brood op een rij.

 

  • Hij laat zich de kaas niet van het brood eten.
    Voor zichzelf opkomen.
  • Het brood uit de mond sparen.
    Erg zuinig zijn.
  • Iets op z'n brood krijgen.
    Ergens de schuld van krijgen.
  • Wiens brood men eet, diens woord men spreekt.
    Afhankelijkheid heeft invloed op iemands uitlatingen.
  • Het brood der dienstbaarheid.
    Afhankelijk zijn van uw meester.
  • Ze bijten allemaal als ze brood zien en dat is vroeg genoeg.
    Als mannen vrouwen ontmoeten, krijgen ze belangstelling voor elkaar.
  • Het oud brood moet eerst op.
    De ouders willen hun dochters in volgorde van hun leeftijd uithuwelijken.
  • Bakkerskinderen eten oud brood.
    Aan het vak dat men uitoefent, besteedt men in zijn directe omgeving weinig aandacht.
  • Bakkerskinderen brood geven.
    Iemand iets geven waar die toch al genoeg van heeft.
  • Kruimeltjes is ook brood.
    Met weinig toch tevreden zijn.
  • Iemand iets op zijn brood geven.
    Hem de schuld ergens van geven.
  • Van brood alleen kan de mens niet leven.
    De geest moet ook worden gevoed.
  • Altijd brood eten verdriet ook.
    Een mens wil ook eens een verzetje.
  • Waar geen brood is, is het kwaad hoven.
    Zonder geld kan men ander niet financieel helpen.
  • Geen kwaad zo groot, als een huis vol kinders, en geen brood.
    Je moet je gezin kunnen onderhouden.
  • Bij gebrek aan brood eet men korstjes van pasteien.
    Als het eenvoudige op is gebruikt men het duurdere materiaal.
  • Het grootste stuk van zijn broodkant ophebben.
    Het grootste deel van zijn leven achter de rug hebben.
  • Er wordt voor hem overal brood gebakken.
    Hij komt overal aan de kost.
  • Overal wordt brood gebakken.
    Overal is de kost te verdienen.
  • Hij heeft voldoende brood op de plank.
    Zich goed kunnen redden.
  • Ze heeft brood op de plank.
    Een vrouw met zware borsten.
  • Zijn broodje is gebakken.
    Voor hem is gezorgd. / Hij is ermee klaar.
  • Hij kan meer dan alleen brood eten.
    Verstand van zaken.
  • Brood in de zak hebben.
    Een wind gelaten hebben.
  • Een advocaat en een hond verdienen hun brood met de mond.
    Dit getuigt niet van groot respect voor het beroep advocaat.
  • Zijn brood is gebakken.
    Hij hoeft zich financieel geen zorgen te maken.
  • Nood zoekt brood.
    Zonder geld is men tot veel bereid.
  • Iemand aan een stuk brood helpen.
    Iemand werk bezorgen waarvan hij kan leven.
  • Het brood uit de mond stoten.
    Werkloos maken.
  • Het brood van de tafel vegen.
    Ontslag geven.
  • Het brood van de tafel drinken.
    Zoveel drinken dat er geen geld meer overblijft voor brood.
  • De een zijn dood is de ander zijn brood.
    Het ongeluk van de een kan het geluk van de ander zijn.
  • Met oud geld en met oud brood, slaat men grif de honger dood.
    Als je voldoende voorraad en geld hebt, hoef je je nergens zorgen om te maken.
  • Zijn brood onder het droog kunnen eten.
    Een lange neus hebben.
  • Hij moet droog brood eten.
    Hij moet erg zuinig zijn, het gaat hem financieel slecht.
  • Als de boter duur wordt, leert men het brood droog eten.
    Als het niet anders kan, is men ook tevreden met iets geringers.
  • Brood met brood er tussen.
    Een uitdrukking om armoede aan te geven. Er was geen geld voor beleg.
  • Wie brood heeft, sterft niet van honger.
    Als het niet anders kan, is men ook tevreden met iets geringers.
  • Waar men schijt is brood, waar men bidt is nood.
    In tijd van nood gaat men bidden.
  • De broodkorf hoger hangen.
    Bezuinigen.
  • Met oud meel bakken, het brood goed kauwen, kan een man mr in het jaar onderhouden.
    Door zuinigheid kan men iets bereiken.
  • Iets zo hard nodig hebben als brood in de kast.
    Iets heel hard nodig hebben.
  • Een muis op een commiesbrood.
    Spreekwoordelijke vergelijking. Als bij een gehuwd paar de vrouw opvallend veel groter is dan de man. Commiesbrood is hard, grof kazernebrood.
  • De muizen vallen er dood voor de broodkast.
    Zij hebben het heel erg arm.
  • De raven zullen je geen brood brengen.
    Je zult moeten werken voor de kost.
  • In het zweets zijns aanschijns zal de mens brood eten.
    Je zult moeten werken voor de kost.
  • Ik vrij met de broodspin. Als ik honger heb, dan bijt ik erin.
    Ik zeg niet wie mijn geliefde is.
  • Dat gaat als warme broodjes over de toonbank.
    Een succesvol product.
  • 't Beste brood ligt voor 't venster.
    Trouwlustige meisjes die zich lief voordoen hebben ook wel minder aangename eigenschappen.
  • Je moet je maar wassen waar je brood haalt.
    Hier is sprake van het onderhouden van de huwelijkstrouw.
  • De kunst gaat om brood.
    Kunstenaars lijden vaak armoede.
  • Je kunt er beter van pissen dan van een korstje brood.
    Aanmoediging, na een bedankje, om toch iets te drinken.
  • Zoete broodjes bakken.
    Geveinsd aardig doen.
  • Dat eet geen brood.
    Dat kost niets aan onderhoud, daar is geen verlies bij te verwachten.
  • Hij is broodmager.
    Erg mager.
  • Broodnodig.
    Onmisbaar.
  • Zo wit als een Frans brood.
    Lijkbleek.
  • Ongegund brood wordt veel gegeten.
    Niet kunnen verdragen dat het een ander goed gaat.
  • De broodkruimels steken hem.
    Onwennigheid met verkregen welstand.
  • Liefde is als boter; er hoort brood onder.
    In een relatie is alleen liefde toch onvoldoende.
  • Hij moet genadebrood eten.
    Door anderen onderhouden.
  • Handen in de schoot, dat geeft geen brood.
    Als je niet werkt, kun je ook niet in je levensonderhoud voorzien.
  • Je moet Onze-Lieve-Heer geen beschimmeld brood geven.
    Je moet niet huichelen.
  • Niet weten in wat voor spierzakken Onze-Lieve-Heer zijn brood steekt.
    Er zijn veel rare mensen. Spierzak is een brood- of knapzak.
  • Dat kan de broodzak (spierzak) niet dragen.
    Dat kan bruin niet trekken.
  • Kinderen houden het brood uit de schimmel.
    Een gezin met kinderen verbruikt veel.
  • Veel graantjes maken een brood.
    Vele kleintjes maken n grote.
  • Hij kan met de kaken wel brood snijden.
    Een spits, zeer mager persoon.
  • Een hoofd als een brood van zes pond.
    Spreekwoordelijke vergelijking. Een groot hoofd.
  • Een profeet die brood eet.
    Die verdient geen vertrouwen.
  • Een goede ziel weet van stenen brood te maken.
    In het leven moet je tevreden zijn met wat je hebt.
  • Brood met je 's morgens zien en vrouwvolk 's avonds.
    Overdag moet je werken en 's avonds is het tijd voor de vrouwen.
  • Daar lusten de honden geen brood van.
    Dat is schandalig.
  • 't Is een slechte hond, die zijn brood pakken laat.
    Je moet voor jezelf opkomen.
  • Een kwade hond moet men wel eens een stuk brood geven, want anders bijt hij je.
    Gevaarlijke lui moet je te vriend zien te houden.
  • Brood in een hondenhok zoeken.
    Iets zoeken waar het niet verloren is.
  • Bak-intijds ontleent geen brood.
    Wie zorgt zijn zaken op tijd voor elkaar te hebben, heeft geen ander nodig.
  • Stenen voor brood geven.
    Iets onbruikbaars voor iets bruikbaars geven.
  • Hij zit op water en brood.
    Hij is in de gevangenis.
  • Werp uw brood uit op water.
    Ook al worden uw giften niet altijd 100% goed besteed, blijft geven.
  • Er is geen goud zo rood of het zal springen voor brood.
    Als je honger hebt verkoop je zelfs je trouwring van rood goud.
  • Hij heeft van de gerstenbroden niet gegeten.
    Hij is niet slim.
  • Oude jongens krentenbrood.
    Omgaan met elkaar alsof je goede bekenden van elkaar bent.
  • Het was net een slecht krentenbrood.
    Er waren weinig mensen.
  • Men sluit geen brood voor vrienden weg.
    Met vrienden deelt men alles.
  • Beter een brood in de zak dan een pluim op een hoed.
    Van complimenten kan men niet leven.
  • Beter een half brood dan geen.
    Wees met weinig tevreden, als meer onbereikbaar is.
  • Hij kan meer dan van brood poep maken.
    Hij is zo dom nog niet.
  • Lang vasten is geen brood sparen.
    Van uitstel komt geen afstel.
  • Dat zal nog brood kosten.
    Dat zal nog heel wat voeten in de aarde hebben.
  • Och arm broodje van een stuiver, wat heb je toch weinig kruim.
    Wat stel je toch weinig voor!
  • Het bepalen van de broodzetting.
    Broodprijs die door de overheid werd vastgesteld. / Besluiten. / Het bepalen van de prijs.
  • Wie geen wit brood heeft, doet het met bruin.
    Wie het beste niet krijgen kan, moet met het mindere genoegen nemen.
  • Het wittebrood middendoor snijden.
    Je bezit delen met iemand die minder heeft.
  • Die zijn wittebrood vr eet, moet zijn roggebrood na eten.
    Als je op jonge leeftijd veel geld uitgeeft, zul je daar later de problemen van ondervinden.
  • Van wittebrood word je dik en van roggebrood word je groot.
    Tegen kinderen als ze om wittebrood vragen in plaats van roggebrood, dat men gewoonlijk at.
  • Het is een wittebroodskind.
    Het is een verwend kind.
  • Zij zijn in de wittebroodsweken.
    Ze zijn nog maar kort getrouwd.
  • Wie hier brood heeft, moet niet ergens anders naar toe gaan voor wittebrood.
    Lichtvaardig vertrekken naar een andere plaats om daar een beter bestaan te vinden, wordt afkeurd.
  • Met Pasen krijgen we wittebrood op wittebrood en kaas ertussen.
    Uit de tijd toen wittebrood, nog luxe was.
  • Brood trekt de kar.
    Aanbeveling om in plaats van mik (wittebrood), brood (roggebrood) te eten. Brood werd aan trekdieren, vooral aan paarden, bijgevoerd.
  • Een broodpaard is maar een klootpaard.
    Een paard dat alleen brood te eten krijgt, heeft geen kracht.
  • Geeft den stoffer een brood, de klager heeft geen nood.
    Mensen die veel klagen, hebben het vaak zo slecht nog niet.
  • Klagers hebben geen nood, pochers geen brood.
    Overschat en onderschat niemand.
  • Bij gebrek aan brood is de schaamte dood.
    Als mensen honger lijden zijn ze tot dingen in staat die ze onder normale omstandigheden nooit zouden doen.
  • Wat op de broodpijp spelen.
    Honger lijden.
  • Van een snee brood gaat hij dood.
    Een gierigaard; hij geeft nog geen snee brood weg.
  • In tijd van nood maakt men een bord van een snee brood.
    Nood maakt vindingrijk.
  • Trouw heeft brood, als ontrouw is in nood.
    Je weet pas of iemand je trouw is, als de nood aan de man is.
  • Een tint als melk en brood.
    Een gezonde kleur.
  • Zout en brood maken de wangen rood.
    Eenvoudig leven is gezond.
  • Je kunt je geld beter naar de bakker brengen dan naar de dokter.
    Men kan betere zijn geld aan brood besteden dan aan medicijnen.
  • Korstjes geven borstjes.
    Opmerking als meisjes de korstjes van het brood niet willen eten.
  • Boter op je hoofd smeren en droog brood eten.
    In de war zijn.
  • Ik zal je boter aan je gat smeren en zelf droog brood eten.
    Je bent nooit tevreden!
  • Zonde is het, zelf droog brood eten en een andermans gat met boter smeren.
    Je moet niet iets geven aan iemand die zelf genoeg heeft.
  • Ik zal het ouwe wijf boter aan haar achterste smeren en zelf droog brood eten.
    Vergeet het maar, je hebt genoeg gehad.
  • Twee zuivels op n brood, geeft hongersdood.
    Je moet geen boter en kaas tegelijk op je brood doen (want dat is overdreven).
  • Zo de zotten geen brood aten, zou het koren goedkoop zijn.
    Er zijn veel dwaze mensen op de wereld.
  • Een broodje aap verhaal.
    Een leugenachtig verhaal.
  • Daar kan je geen droog brood mee verdienen.
    Geen geld kunnen verdienen.
  • Eerst lokkebrood, dan stokkebrood.
    Wanneer men eenmaal getrouwd is, dan blijft er van mooie beloftes vaak weinig over.
  • Tranenbrood eten.
    Eten terwijl je zeer bedroefd bent.
  • Het bodenbrood verdienen.
    Een fooi verdienen.
  • Een gerezen brood is een geprezen brood.
    Een geslaagde zaak wordt geroemd.
  • Daar heeft de bakker zijn wijf doorgejaagd.
    De bakker heeft teveel gist gebruikt, dus grote gaten. Slechte kwaliteit brood.
  • Dat heeft geen zwarigheid, zei de bakker, en hij had zijn brood te licht.
    Hij ziet geen bezwaren.
  • Zij is een afgelikte boterham.
    Zij is een meisje dat al vele jongens heeft gehad (gezoend).
  • Een aangeklede boterham.
    Een gesmeerde boterham met dik beleg.
  • Een goed belegde boterham.
    Een behoorlijk inkomen.
  • Een boterham met een dagschaar.
    Ongesmeerde boterham zonder beleg.
  • Een glazen boterham.
    Een glas alcoholische drank.
  • Het op je boterham krijgen.
    Een stevig standje incasseren.
  • Die niet werkt met vlijt, die is zijn boterham kwijt.
    Je zult (hard) moeten werken voor de kost.
  • Elk kind brengt een boterham mee.
    Arme ouders vragen zich vaak af hoe ze het eten voor hun kinderen moeten betalen, meestal lukt het dan toch op de een of andere manier.
  • Iets doen voor een boterham met suiker.
    Ergens de hand niet voor omdraaien; er geen moeite mee hebben.
  • Het klopt als twaalf eieren met een boterham van wittebrood.
    Spreekwoordelijke vergelijking. Iets wordt geheel in orde bevonden.
  • 'Straf moet er zijn', zei de meester, en toen at hij de boterham van een jongen op.
    Zeispreuk.
  • Vasten is: drie boterhammen eten en naar de vierde tasten.
    Vasten is minder eten dan men belieft.
  • Je ziel en je boterham moet je in de gaten houden.
    Op persoonlijke zaken moet je letten.
  • Er geen boterham minder om eten.
    Zich nergens iets van aan trekken.
  • Hij is niet boterhamlekker.
    Op zakelijk gebied moet men bij hem scherp opletten.
  • Boterham uit het vuistje, kan volstaan met een kruisje.
    Als men haast heeft, volstaat een kruisteken in plaats van het gebruikelijke gebed voor de maaltijd.
  • Er is weer net zo'n goed brood als er gebakken is.
    Het nieuwe is licht zo goed als het oude.
  • Niets kunnen dan van goed brood slecht maken.
    Niets presteren.
  • Snij een brood in drien.
    Raad die gegeven werd als iemand een langdurige doodsstrijd had. Een brood van 12 pond sneed men in drie stukken en bracht die aan drie arme mensen in de hoop dat door dit goede werk de zieke spoedig zou verlost worden uit zijn lijden.
  • Wilt gij brood hebben, legt u op de oven niet te slapen.
    Er zal voor de kost gewerkt moeten worden.
  • Als de kat in de oven jongt, zijn het dan broodjes?
    Antwoord aan iemand die steeds maar bezwaren maakt: 'Ja maar als ...'.
  • In een slechte oven wordt slecht brood gebakken.
    Als de ouders niet deugen, mag je van de kinderen niet veel verwachten.
  • Het brood moet erin als de oven heet is.
    Maatregelen moeten op het juiste moment genomen worden.
  • De bakker heeft in de oven gescheten.
    De bakker sluit zijn bedrijf.
  • Het brood moet naar de oven smaken.
    Het brood moet een donker korstje hebben, dan is het goed doorbakken.
  • Het is beter dat het brood naar de oven smaakt dan naar de gist.
    Het brood moet een donker korstje hebben dan is het goed doorbakken.
  • Met je gist komen als het brood in de oven zit.
    Met je oplossing komen als het te laat is.
  • Hij komt met de paal als het brood al in de oven is.
    Hij komt niet op tijd.
  • Zij heeft een broodje in de oven.
    Zij is zwanger.
  • Een boterham met tevredenheid.
    Een (droge) boterham (zonder beleg).
  • De tijd tussen 'jongen, vergeet je boterhammen niet' en 'mama, vergeet je pillen niet' gaat razend snel voorbij.
    De tijd gaat snel, gebruik hem wel.

 

Kent u er nog meer, laat het ons dan weten of plaats hieronder direct uw reactie zodat uw aanvulling direct op de site zichtbaar is.

 

Bekijk het e-book Spreek je uit met voeding.

 

Overige informatie

Bronnen
  • Apeldoorn C.G.L. & Riet R. van (2003). Spreekwoorden verklaard / Nederlands. Uitgeverij het Spectrum, Utrecht.
  • Laan K. ter & Heidt A.M. (2004). Nederlandse spreekwoorden, spreuken en zegswijzen. Uitgeverij het Spectrum, Utrecht.
  • Mesters G.A. (2002). Spreekwoorden Nederlands. Uitgeverij het Spectrum, Utrecht.
  • Van Dale (2000). Van Dale spreekwoordenboek. Van Dale, Utrecht.
  • Walters N. (2004). Het grote spreekwoordenboek. Rebo Productions, Lisse.

Reacties

16 juli 2020 10:36 Manon Verheul
 Spreekwoorden met brood
Bedankt Pierre, voor jouw aanmelding. Het spreekwoord is opgenomen.
15 juli 2020 19:15 pierre
 Gezegde
Een boterham met tevredenheid
=een (droge) boterham (zonder beleg)
24 januari 2019 15:28 Manon Verheul-Koot
 Spreekwoorden brood
Beste Liselot, bedankt voor jouw aanmelding. Het spreekwoord is opgenomen.
24 januari 2019 11:19 Liselot Gijbels
 Spreekwoorden
Ik vind "Er geen boterham minder om eten"niet.
22 november 2017 10:50 Hennie Barendrecht
 Gezegde
Waarom wordt een half brood een pondje brood genoemd.?
Terwijl een heel brood nog geen kilo is?

Zelf een reactie toevoegen

De velden gemarkeerd met een * zijn verplicht.